hulpbijconcentratie.nl

Blog februari 2017

    Kans op dyslexie door leesmethode (2017).

      Blog december 2016

        Blog november 2016

          Het verhaal van Peter en Paul

          Ken jij Peter en Paul? Het zijn twee jongens in de brugklas. Ze verschillen van elkaar.

          Let maar eens op!

           

          Peter

          De les is begonnen op een gewone doordeweekse dag. De klas heeft wiskunde en ze hopen dat ze het vorige week gemaakte proefwerk terug krijgen. Peter vindt het spannend. Zou hij net voldoende hebben? De leraar deelt de proefwerken uit. Daar komt hij aan, heel dichtbij, en jawel, deze is voor hem. Ai, hij ziet het al, een 4.

          Shit. Zie je wel, ik kan het toch niet, denkt Peter. Maar de leraar legt ook niet goed uit. En hoe moet hij het thuis vertellen, zijn ouders zijn vast boos. Want ze vroegen nog of ze hem moesten overhoren, maar dat wou hij niet. Nog langer bezig zijn met dat stomme wiskunde zeker. Peter legt het proefwerk op de kop. Hij wil die 4 niet zien.

          De leraar begint met de klas de opdrachten door te nemen. Peter denkt alweer: het is niet eerlijk. Hij kijkt uit het raam naar buiten. Was de les maar vast om, dan kon hij weer lekker naar buiten. Stomme wiskunde.

          “Hé, waar is mijn pen?” hoort hij naast zich zeggen. Jan zit naast hem en zoekt blijkbaar zijn pen. 

          “Mijn rode pen, heb jij die?” En Peter denkt: wat denkt Jan wel, dat ik die pen heb? Ik jat toch geen pennen? 

          “Nee, natuurlijk niet,” zegt Peter en hij voelt zich behoorlijk geïrriteerd. Eerst al die 4 en nou wordt hij van diefstal verdacht. Voor de zekerheid rommelt hij in zijn etui en dan zegt-ie nog even: “Heb ik niet.” Zijn stem klinkt boos. 

          Later in de les wordt een so opgegeven. Voor volgende week. Houd het dan nooit op? Volgende week staat er al bijna elke dag wat! Dit is niet eerlijk, dit mogen ze niet doen! Als de wiskunde les is afgelopen hebben ze nog engels. Pff, nog één lesuur en dan gelukkig vrij. Als engels ook voorbij is, loopt Peter tussen de jongens naar de kluisjes. Wat lopen ze langzaam, Peter zou willen rennen, gauw naar huis!

          “Peter, ga je nog even mee naar de Jumbo?” 

          Ja, dat wil Peter wel! Gezellig met de jongens! Als ze hem vragen, hoort hij er bij! Als hij nu nee zegt, hoort hij er niet bij. Even geen school, dat mag best, zeker na zo’n rotdag als vandaag! Met zijn middagschema komt het wel goed; zeeën van tijd.

           

          Paul

           

          De les is begonnen op een gewone doordeweekse dag. De klas heeft wiskunde en ze hopen dat ze het vorige week gemaakte proefwerk terug krijgen. Paul vindt het spannend. Zou hij net voldoende hebben?  De leraar deelt de proefwerken uit. Daar komt hij aan, heel dichtbij, en jawel, deze is voor hem. Ai, hij ziet het al, een 4.

          Jammer. Waar zou het aan liggen? Hoe was mijn voorbereiding ook weer? O, ja, dit vond ik moeilijk, heb ik dus inderdaad niet begrepen. Volgende keer toch mijn ouders vragen! 

          De leraar begint met de klas de opdrachten door te nemen. Paul denkt: misschien heeft de leraar wel iets fout gerekend wat toch goed is! Of anders kan ik het op mijn manier uitleggen, hoe ik het begrepen heb? De leraar weet dat ik anders denk.

           “Hé, waar is mijn pen?” hoort hij naast zich zeggen. Jan zit naast hem en zoekt blijkbaar zijn pen.

          “Mijn rode pen, heb jij die?” Paul denkt, zou ik Jans pen per vergissing gepakt hebben?

          “Ik zal even voor je kijken. Misschien is je pen op de grond gevallen?”

          Hij rommelt in zijn etui. “Nee hoor, ik heb hem niet”

          Later in de les wordt een so opgegeven. Voor volgende week. Een ogenblik schrikt Paul, alweer? Houd het dan nooit op? Aan de andere kant wel weer fijn, heeft hij snel een kans om die 4 weer op te halen! Hij heeft goed opgelet bij het nakijken daarnet, gaat hij vanmiddag thuis meteen dit so inplannen, het weekend zijn ouders om hulp vragen. Hij schrijft in zijn agenda het so en voor morgen: so wiskunde inplannen. Zo dat staat in zijn agenda, hoeft hij het niet te onthouden. Als de wiskunde les is afgelopen hebben ze nog engels. Pff, nu moet wiskunde uit zijn hoofd, en engels moet erin. Hup, naar de engelse kamer! Als engels ook voorbij is, loopt Paul sloom tussen de jongens naar de kluisjes. Spreken ze nog wat af voor in het weekend? Dan wil hij ook mee!

          “Paul, ga je nog even mee naar de Jumbo?”

          Nee, dat wil Paul niet. Dan komt zijn middagschema in de knoop. Hij heeft voetbaltraining vanavond, en voor de training wil hij zijn huiswerk klaar hebben. Soms valt het tegen en kost het meer tijd dan verwacht. Gewoon naar huis, half uurtje niks en dan huiswerk. Eerst de dingen doen die hij moet doen!

           

          Wat hebben we nu gezien?

          Peter en Paul hebben allebei een 4.

          Ze reageren er verschillend op.

          Bij Peter roept de 4 andere gedachten op dan bij Paul.

          Je hebt gelezen wat ze dachten.

          Het is moeilijk om het denken te achterhalen, omdat je snel wat voelt en dan eigenlijk niet weet wat je gedacht hebt. Toch heb je altijd gedacht!


          En weet je wat je kunt leren? 

          Je kunt leren je gedachten te sturen! Als je een gedachte hebt, waarvan je boos wordt, kun je deze gedachte leren veranderen! Zodat je niet boos wordt!


          Wat is er gebeurd? 

          De 4: 

          Peter denkt meteen iets, geeft een betekenis aan deze 4: 

          “Ik kan het toch niet. Ik ben dom. De leraar legt ook niet goed uit. Ik leer het nooit, ik ben dom.”

           

          Paul denkt meteen iets, geeft een betekenis aan deze 4 

          “Jammer. Waar zou het aan liggen? Hoe was mijn voorbereiding ook weer? Oja, dit vond ik moeilijk, heb ik dus inderdaad niet begrepen. Volgende keer toch mijn ouders vragen!”

           

           Dezelfde 4, maar twee betekenissen!

          Hoe denk je dat Peter zich voelt?

          Hoe denk je dat Paul zich voelt? 

          Peter ziet gevaar:

          ”Ik kan dit niet. Ik haal het diploma nooit!”

           

          Peters gedachten zijn om gefrustreerd, prikkelbaar, gespannen van te worden (boos zijn.)

           

          Paul ziet mogelijkheden:

          “Ik moet naar mijn voorbereiding kijken en mijn ouders om hulp vragen.”

          Pauls gedachte als “Jammer” is om teleurgesteld van te worden (bedroefd zijn).

          Pauls volgende gedachten (Waar zou het aan liggen? Hoe was mijn voorbereiding ook weer? Dit vond ik moeilijk, heb ik dus inderdaad niet begrepen. Volgende keer toch mijn ouders vragen!) zijn verstandige gedachten, waar hij mee verder kan. Dan kun je iets moeilijks weer als uitdaging zien en daar word je weer blij van.

           

          Er is een pen zoek: 

          Peter denkt meteen iets, geeft een betekenis aan deze pen, die kwijt is:

           

          “Hoe haalt Jan het in zijn hoofd om te bedenken dat hij die pen gejat zou hebben! “

           

          Gedachte om gefrustreerd, prikkelbaar van te worden (boos voelen)

          Paul denkt meteen iets, geeft een betekenis aan deze pen die kwijt is:

           

          “Zou ik per vergissing zijn pen hebben? Zou pen op grond kunnen liggen? Ik help even!”

           

          Gedachte van bezorgdheid: gezonde verstandige gedachten.

           

          Het opgegeven so: 

          Peter denkt meteen iets, geeft een betekenis aan dit opgegeven so:

           

          “Hoe halen ze het in hun hoofd om een so op te geven!”

           

          Gedachte om gefrustreerd, verward, prikkelbaar en gespannen van te worden (boos voelen).

          Paul denkt meteen iets, geeft een betekenis aan dit opgegeven so:

           

          “Mooi dat er zo gauw een so komt! Kans om die 4 op te halen!”

           

          Gedachte om dankbaar, hoopvol, opgelucht tevreden over te zijn (blij zijn)

           

          Naar de Jumbo gaan: 

          Peter denkt meteen iets, geeft een betekenis aan dit meegaan:

           “De jongens vragen me mee, dan hoor ik erbij. Als ik niet mee ga, hoor ik er niet bij. Ik wil er graag bij horen, dus ga ik mee.”

          Gedachte: ik hoor er bij! Gevoel is blij.) 

          Peter voelt zich op dat moment blij omdat hij er bij hoort. Peter overziet niet, dat mogelijk zijn middagplanning in de war raakt.

           

          Paul denkt meteen iets, geeft een betekenis aan dit meegaan:

            “Leuk dat ik meegevraagd word, maar ik kan echt niet! Jammer!”

           

          Gedachten zijn: ik kom in tijdnood als ik meega. Tijdnood is spanning. Ik wil geen spanning, dus ik ga niet mee. Gevoel is: een ogenblik teleurgesteld (bedroefd), maar dan trots en sterk (blij), want er zal geen spanning zijn.

          Paul wijkt niet van zijn middagplanning af, omdat hij zeker wil zijn, dat hij alles af heeft, voordat voetbaltraining begint. Hij vindt het ook leuk, dat hij meegevraagd wordt, maar heeft geen gedachten over er al of niet bijhoren.

          Trouwens: is het zo, dat als je mee gaat naar de Jumbo dat je dan bij de groep hoort? Klopt die gedachte?

            

          Helpende  gedachten

          Waar zou het aan liggen?

          Hoe was mijn voorbereiding?

          Als ik zo denk, worden mijn prestaties beter?

          Wat bereik ik als ik iets niet doe?

          Ik zal niet overal antwoord op weten, maar dat overleef ik wel.

          Ik maak geen regels, dat moet ik accepteren.



          Wij zijn niet zozeer anders,de rest is alleen hetzelfde.